Voordelig

Voordat we de toren gingen kopen hadden we een lijstje gemaakt met potentiële voor- en nadelen. Het aantal nadelen was aanmerkelijk groter dan het aantal voordelen, maar zoals u weet zijn we toch tot de koop overgegaan. Wat er precies op dat lijstje stond zou ik nu niet meer kunnen zeggen. Maar ergens weet ik dat het niet overeenkwam met de daadwerkelijke voor-en nadelen.

Al vrij in het begin stuitte ik op één van de nadelen. Ik was aan het schoonmaken, stofzuigen, kuisen, hoe je het ook wil noemen. Op de derde verdieping…onze luxueuze inloopkast, had ik een emmer sop staan. Deze schopte ik per ongeluk om. Heel de emmer ledigde zich in een ommezien over de vloer. Over de vloer, nee door de vloer. Onze vloeren zijn niet overal dicht. Het water liep in rap tempo langs de zijkanten van de binnenkant van de toren naar de tweede verdieping, langs de eerste verdieping, en dan nog zes meter te gaan naar de begane grond, alwaar het in een stekkerdoos terecht kwam en er voor zorgde dat er kortsluiting ontstond. Het eerste wat ik deed was de watertorenheer bellen en heel hard roepen: ‘In welk ander huis gebeurt dit, zeg het me, gloeiende, gloeiende?!’

‘Veel trappen lopen’ wordt vaak als een nadeel genoemd. Maar wij ervaren dat anders en met ‘wij’ bedoel ik Remko en ik. Nichtje Tila lijkt er wel zeer uitgekiend in te zijn om zo min mogelijk heen en weer te gaan, maar echtgenoot en ik malen er niet zoveel om. Natuurlijk kijken we elkaar weleens aan als we iets vergeten zijn, van ‘Ach, ga jij even?’, maar het is wat het is en een groot deel schuilt in acceptatie. En steeds blijven denken: ‘Dit houdt me zo enorm fit, terwijl ik niet naar de sportschool hoef, wat een feest.’ Maar er zijn helaas momenten dat het wel poepig is. Als je de trein moet halen of op weg bent naar je werk en je mooi op tijd vertrekt, maar dat het niet ter zake doet, omdat je halverwege de Stadsdijk ineens denkt: ’Heb ik het koffiezetapparaat boven nu uitgezet?’ Een gedachte waarvan je weet dat ie je de hele dag gaat achtervolgen als je geen actie onderneemt. En dan in sneltreinvaart weer terug, de hele toren door om er boven achter te komen dat je ’m inderdaad had uitgezet, wederom naar beneden en helemaal kapot en bezweet arriveren op station of werk. Superleuk.

In de toren zijn we ons nog een stuk bewuster van de seizoenen dan menigeen denk ik. Ook dat heeft zijn voor- en nadelen. Natuurlijk zat ik enorm uit te kijken naar de lente, met ongeveer dezelfde intensiteit waarmee ik opkeek tegen de winter. De winter was een uitdaging, zeker omdat ik ‘m bijna in zijn geheel moest doorkomen zonder de watertorenheer. Elke dag was het weer een gehannes om het een beetje warm te krijgen. Maar ook dat gehannes had wel z’n charme, je moet er de lol van inzien, anders ben je verloren. Als een Floortje Dessing voelde ik me, aan het einde van de wereld. Hout halen, zo’n vier keer per dag een mand vol naar boven sjouwen. Daag me niet uit voor een potje armdrukken dan, want ik win het! Vervolgens een fijn vuurtje maken, steeds kijken hoe warm het is op de thermometer om bij elke graad hoger, weer een beetje trotser te zijn. En ik ben niet ziek geweest. Deed ik anders met enige regelmaat mee met de griep, in de toren word je gehard. Teveel comfort is niet goed voor je blijkbaar.

Op een avond begon het te sneeuwen, steeds harder, steeds meer. Ik zat de blues te luisteren en aan de wijn. Een dik pak werd het, magisch. Om half twee ’s nachts waagde ik het nog om een stapje buiten te zetten, de dijk op, een wit feeëriek landschap. Waanzinnig mooi. En zo was het ook in één van de eerste maanden in de toren, toen het ook aan het sneeuwen was. Ik stond boven en voelde me nog net geen tovenaar. Hoe de witte vlokken langs de ramen draaiden. Kou, wat maakt het eigenlijk uit?

En als de lente zich uiteindelijk mondjesmaat aandient kijk je de knoppen bijna de kastanjeboom uit. Echter voordat je het weet is het allemaal groen, vetgroen. Als het heel hard regent, heb ik het gevoel alsof ik in de tropen zit in Brazilië, in één of andere boomhut. Ergerde ik me vroeger eraan als mijn moeder als het plensde zei: ‘Het is goed voor het land!’ Denk ik nu: ’Inderdaad, kom maar door!’

In de zomer wordt het warm boven, heel warm. Maar het deert niet want we zijn bijna alleen maar buiten. Als het echt heel heet is, is het goed toeven in de tuin, zo schaduwrijk als ie is. In de hangmat liggen, een beetje mijmeren en kijken naar de toren. Wat een bizar ding is het toch. Het leven is vreemd en ik zie een hoop nadelen, want zo zit ik in elkaar, dat wil ik u best verklappen. Maar mijn hemel, deze toren met al zijn nadelen heeft toch wel een hele hoop voordelen. En laat de herfst nog maar even op zich wachten alstublieft.

Vakantie

We gingen op vakantie, ik was er aan toe. De watertorenheer en ik waren er eerst achter gekomen dat wanneer de één vakantie had, de ander dat niet had. Daar werd de watertorenvrouwe kriegelig van. Je mag het ‘kriegelig’ noemen, maar ook ‘pislink’, dat strookt waarschijnlijk meer met de waarheid. Soms is het goed om een beetje boos te worden en gedaan te krijgen wat je wil. En dus konden en gingen we een weekje weg. Naar Spanje, ‘glamping’. Ik had bedacht dat het niet te luxe moest zijn, want je moet ook weer blij zijn als je thuiskomt. En het was in een ronde tent, zodat we geen problemen zouden krijgen met hoeken. Een tent die ik graag ook bij ons in de tuin zou willen hebben, als logeerplek, of voor als het te warm is boven in ons ‘zolderkamertje’. Zodoende konden we kijken of het echt wat voor ons was.

We hadden in ieder geval een prachtweek, het was zoals een vakantie hoort te zijn. Veel chillen, lezen, zwemmen, wat stadjes bezocht, lekker gegeten, meren gezien en strand. Echt een vakantiegevoel. En dat gevoel heb ik niet altijd gekend.

Soms had ik namelijk altijd vakantie en daarom juist ook niet. Er waren momenten in ons expatleven, dat het was zoals je denkt dat het expatleven is. Luieren en lezen bij het zwembad, voor mij dan. Nu heb ik in de huidige tijd een enkele keer het idee dat ik achter de feiten aanloop, toendertijd was ik de feiten ver vooruit. Zo erg, dat de feiten er zelf van schrokken. Niks doen was af en toe slopend, maar soms kon ik geen kant op. Sindsdien zeg ik regelmatig: ‘Hoe minder je doet, hoe minder je gaat doen en hoe meer je doet, hoe meer je gaat doen.’ Het is lastig om de motor vanuit stilstand op te starten. Met terugwerkende kracht denk ik weleens: ‘Mijn hemel Erika, kreeg je zoveel tijd van het universum om je lekker op de kunst te storten en hoeveel heb je nu daadwerkelijk gemaakt? ’ Maar ja achteraf kijk je in een koe in z’n reet* en vrijheid is een grote discipline**. Een beetje een doel hebben of een droom is toch wel erg prettig. Het hoeft niet per sé groots en meeslepend te zijn en je hoeft het ook niet te behalen of te verwezenlijken, maar blijf aan de gang, als je kan.

Wanneer er mensen op bezoek komen bij ons bij de toren, horen we met enige regelmaat de zin: ‘Je hebt hier zeker altijd een vakantiegevoel?’ Maar dat is dan ook weer niet helemaal waar. Er zijn zoveel dingen om te doen, meer dan ik kan opnoemen, of een ander kan zien. Op mijn werk hoorde ik laatst: ‘Hoge werkdruk bestaat niet, je ervaart alleen hoge werkdruk’ en dat komt overeen met wat ik een aantal verhaaltjes terug zei: ‘Het zijn niet de omstandigheden die je een vervelend gevoel geven, maar je eigen gedachten erover.’ Echter is het in de praktijk niet altijd uitvoerbaar om alles in je hoofd te tackelen. En wij Nederlanders zitten toch met dat nare calvinisme in ons bloed. We moeten zoveel en dan vooral van onszelf.

Bij terugkomst na een weekje weg, was ik inderdaad weer blij om thuis te zijn. Die tent daar denken we nog even over. Verder ben ik dankbaar voor alle bezigheden die ik heb. En misschien is er ergens toch een voortschrijdend vakantiegevoel. Juist als ik denk dat ik echt geen tijd heb, ga ik een wandelingetje maken. Lekker struinen onder de Martinus Nijhoffbrug door langs de rivier, lopen over de Stadsdijk, genieten van het historische stadje met z´n mooie groene vestingwerken en z´n grachten. Wat wonen we hier toch fijn.

Alles komt zoals het komt. En nu echt voor de laatste spreuk in deze blog: ‘I’ve learned in life, that sometimes all you have to say is: ‘Fuck it’and just live.’***

Glamping

 

*De juiste uitdrukking is: ‘Achteraf kijk je een koe in z‘n kont’, Remko hoor ik het echter altijd op bovenstaande manier zeggen.
**Herkomst: Karel Appel
***Herkomst: Het internet. ‘Moet dat dan in het Engels en zo grof?’ Antwoord: ‘Ja.’

Tila

Glunderend komt ze thuis, na het weekend in Leiden geweest te zijn. ‘Ik heb een nieuwe bijnaam!’ Ja daar wordt het lieve kind blij van, van bijnamen. Ze heeft er al een aantal waaronder: ‘Onsubtila’ en ‘Fantastila’. Ben benieuwd wat er nu weer is bijgekomen. ‘Nou, kom maar op, laat maar horen.’ Met haar mooie blonde krullen staat ze daar en zegt ze met een glimlach van oor tot oor: ‘Tilarisch!’ Een goeie terechte bijnaam, net als die andere twee trouwens.

In 2011 kwam mijn jongste broer met zijn gezin op bezoek bij ons toen we in Brazilië woonden. Zijn jongste dochter Tila bedacht toen, dat als ze 18 was, dat ze dan bij ons wilde wonen. Dat leek haar wel wat natuurlijk, lekker een jaar in het buitenland bivakkeren. Het lot besliste anders en ook weer niet. Wij kwamen terug naar Nederland. Maar toen het nichtje 18 was, besloot ze om een opleiding in Geldermalsen te volgen. En wij bedachten even later om een watertoren te kopen in Zaltbommel. Tila kreeg het nieuws als eerste te horen en riep: ‘Nu komen al mijn wensen uit! En in een watertoren wonen èn bij jullie wonen èn een hond!’ Dat laatste was een duidelijk ‘heel misschien’ gevalletje geweest, maar je kan ook niet alles hebben in het leven. En zo trok het nichtje doordeweeks bij ons in. De hond kwam er niet.

Het is een echte bikkelchick, want in zo’n toren wonen is denk ik niet aan iedereen besteed, zeker niet in de winter. Op haar kamer wordt het nooit echt warm, maar ik heb  haar er niet over horen zeuren. Tila en ik zijn de winter grotendeels samen doorgekomen, daar de watertorenheer voor werkzaamheden toch weer in het buitenland zat, hij wel.

Het is echter bepaald geen straf om Tila in huis te hebben. We hebben nogal dezelfde humor en lachen dus wat af. We lijken sowieso behoorlijk veel op elkaar qua karakter en ook dat werkt gelukkig niet tegen ons. Zo houden we van dezelfde muziek, knutselen, van wandelingetjes maken, dezelfde series en lekker eten. We houden niet van random televisie kijken, suffe mensen, grafgrijze meubels en holle frasen. En we hebben fijne afspraken met elkaar gemaakt. Als het buiten warmer is dan in de keuken (en dat is het al snel), eten we buiten. Als de wasmachine klaar is en een wijsje speelt (ja dat doet onze wasmachine) en we zijn beiden in de keuken, moet er gedanst worden. Dat is maar een kort dansje maar daarom niet minder spectaculair, geloof me.

En al lijken we beiden altijd vrolijke Fransen, ook dat is niet altijd het geval. Maar de één beurt de ander op en andersom.

Op een middag heb ik de halve schuur van buiten schoongemaakt en geverfd. Ik ben moe, maar zou nog koken. Uitgeput lig ik in de hangmat. Daar komt Tila, ze heeft een idee. We hebben nog wat pitabroodjes over en ook nog wat andere restjes. Ze kan kleine pizzaatjes maken! Vijf minuten later komt ze na een inventarisering gemaakt te hebben, als een ware serveerster met een notitieblokje bij me staan. ‘Wat wilt u graag als topping  mevrouw?’ ‘Wat heeft u allemaal?’ We hebben: ’Champignons, groene asperges, paprika, Parmezaanse kaas en serrano ham.’ Ik geef mijn bestelling op en laat een windje. Ja toen de watertorenheer niet in de buurt was, vervaagden er wat grenzen bij Tila en mij. Dus lieten we er nogal eens één vliegen in elkaars bijzijn. Ik lieg nu een beetje, want het aan-of afwezig zijn van de heer heeft er eigenlijk niks mee te maken. Maar ik veins even alsof we normaal heel beleefd en bescheiden zijn. Maar goed, waar waren we, o ja ik liet een scheetje. ‘ Mag dat hier ook?’ vraag ik aan de serveerster. ‘Jazeker dat dat mag en voor elke keer dat u dat doet gaat er 10 cent naar een goed doel.’ Tilarisch!

Hopsa!

Restaurante Torre del agua

Buren

Het blijft een sprookje, wonen in de toren. Wat het allemaal nog sprookjesachtiger maakt is dat we geen buren hebben. Want ´Beter een verre vriend, dan een slechte buur´ luidt het gezegde, toch? Het geeft werkelijk waar een ongekend gevoel van vrijheid, dat je zelden tot nooit rekening hoeft te houden met anderen in je eigen woonomgeving. Ik was vroeger iemand die weleens verzuchtte: ´Zat ik maar in een hutje op de hei`. Nu zit ik daar gewoon echt, oké het is geen hei en wel een heel hoog hutje, maar ik ben er content mee.

Irritatie numero uno is natuurlijk geluidsoverlast. Als je je eraan ergert is het vervelend, maar als je zelf degene bent die voor die overlast zorgt, is het minstens zo akelig. En dat laatste is bij ons vaak het geval geweest. Niet dat we zulke extreme herriemakers zijn hoor, maar we hebben weleens in gehorige huizen gewoond en gevoelige buren gehad. Onze eerste buurvrouw was iemand die zelfs nestjes uit de bomen haalde omdat ze niet tegen vogelgeluiden kon. Daar ben je dan mooi klaar mee. Echt een gezelligerd, ze werd door de buurtkinderen ook wel ‘heks ’ genoemd.

In het buitenland was ik altijd zeer blij als we na een beginperiode in een hotel weer in een gewoon woonhuis terechtkwamen. Op de laatste buitenlandbestemming ergens in Argentinië had ik een fijn appartement gevonden, zo dacht ik. Het was ook fijn, maar nadat we onze spullen verhuisd hadden en onze eerste avond op de nieuwe stek zaten, werd er beneden aangebeld. Op het videoscherm van de intercom zagen we het boze hoofd van onze blijkbaar benedenbuurvrouw die helemaal over haar toeren was en tekeer ging over schuivende stoelen en wat al niet meer. Welkom in je nieuwe huis! Het bleek een type te zijn van nergens tegen kunnen en de hele dag de rolluiken dicht, hiephoi. De buurman daaronder vertelde me, dat als zij naar hem belde om te klagen over de muziek die te hard stond, hij de muziek nog harder zette en dan riep: ‘Wat? Ik kan je niet verstaan, de muziek staat te hard.’ Ook een manier.

Buren kunnen soms te gastvrij zijn. In Den Bosch woonde er in de buurt een stel dat altijd ‘s zomers, zoals echte Bosschenaren betaamd, in de voortuin bier aan het drinken was. Als we langsliepen werden we uitgenodigd en kon het nog een lange avond worden. Best leuk, maar niet altijd en niet opgedrongen. Ze waren dikke vrienden met hun overburen, maar dat is op een zekere dag fout gegaan en de politie is er toen zelfs nog aan te pas gekomen. De ruzie ging over een krat bier geloof ik. Hij was wel aardig, want hij luisterde naar reggae en dan deug je al snel in mijn optiek. Maar voor haar was ik echt een beetje bang. Soms stond ze zo zat als een aap op de stoel te dansen op de muziek van Frans Bauer en kregen we toch echt zin om naar huis te gaan. Het was ook doorgaans doordeweeks in ons werkende leven. Als we dan aanstalten maakten, ging ze voor ons staan met een woeste kop en riep: Gij gaot hier nie weg, vurdà gij d’r nog inne vat! Wat zoiets betekent als: ´Ik doe je wat, als je nu geen biertje neemt!´ En dan ging je dus mooi de volgende dag met een fikse kater aan de arbeid.

Een goeie buur is natuurlijk wel leuk, ik heb ze alleen niet zo vaak voorbij zien komen. En verre vrienden hebben we genoeg. Soms zou ik willen dat die verre vrienden wat dichterbij zouden wonen. Dat dan weer wel. Maar we hebben in ieder geval een leuke huisgenote en dat is ook veel waard. En het mooie is dat we in huis ook geen last hebben van geluidsoverlast van elkaar. Er zitten gewoon teveel verdiepingen tussen, ideaal. En als we dan in de keuken de afwas staan te doen en zij zet haar muziek op, is dat goeie muziek, want daar hebben we haar op uitgekozen.

Beesten (2)

Als ik in de woonkamer sta en naar buiten kijk, zie ik daar op ooghoogte een nest van twee eksters. Ik heb een beetje een haat-liefde verhouding met eksters. Ergens vind ik ze iets exotisch hebben en grafisch zitten ze geinig elkaar. Maar eigenlijk zijn het ook een stelletje klereleiers, ze maken herrie en ze jatten mijn eieren. Nu ja, de eieren van de kippen, maar ik vind dat ik daar het alleenrecht op heb. Een tijd lang lagen er kapotte eieren in het nachthok en dacht ik dat de kippies dat zelf deden, ze stuk maken. Om dat af te leren legde ik twee nepeieren neer die keihard waren. De eieren verdwenen, daar heeft een ekster zich dus een bult aan gesjouwd en dat vind  ik stiekem grappig. De kippen hebben het euvel nu zelf opgelost door soms op de gekste plekken eieren te leggen. Zo is het altijd Pasen hier…

Het nest van de eksters zat goed in elkaar en had een behoorlijke omvang, het leek erop alsof ze zelfs een kelder hadden. Toen het laatst zo heftig stormde kreeg ik toch wel een beetje medelijden met die zwart-witte gasten. Als de toren heen en weer gaat bij die windkracht, dan wil je niet weten wat die wind met een nest doet op dezelfde hoogte. Het liep wat schade op. Maar het stel was niet zo maar uit het veld geslagen. Met veel ijver en geduld bouwde ze de boel weer op en ik mocht dat aanschouwen. Kreeg ik toch sympathie voor ze. En toen er daarna nog een, zij het wat milder, stormpje overheen ging, zakte het houten huis weer een beetje in elkaar. Ik had er al lang het bijltje bij neergegooid. Maar de eksters hebben een doorzettingsvermogen van heb ik jou daar, mooi.

Ja het blijft een beestenboel hier. Om half acht ‘s ochtends komen er vaak een stelletje kauwen vergaderen op het dak. Geen idee waarover en het duurt nooit lang, maar het zal wel zeer belangrijk zijn, zoals zo vaak bij vergaderingen…

Mijn lieve nichtje dat bij ons woont, klaagt over de hoeveelheid lieveheersbeestjes boven. Ze heeft ooit ergens iets voorbij zien komen over een plaag. Nu is ze daar wat bangig voor geworden. Maar een lieveheersbeestje maak je niet zo snel kapot, omdat ie z´n naam mee heeft denk ik. Pissebedden daarentegen…maar daar hebben we dan weer geen last van. Lieveheersbeestjes, ik word er wel poëtisch van, bij deze twee waargebeurde regels :

‘Er pleegde een lieveheersbeestje suïcide in mijn thee
Het viel me op, maar ‘k zat er niet echt mee.’

Wie hier ook rondlopen, maar dat is rond de toren, zijn vossen. Maanden geleden vond ik een dode vos in de tuin. Een interessante vondst, sindsdien zie ik er des te meer op toe dat ik de kippen ´s avonds achter slot en grendel heb. En ik ben niet de enige zo bleek. Een oplettende voorbijganger zag mij de kippen uit hun hok halen en vroeg of ik ze wel goed op sloot, want er lopen vossen rond, hij had ze gezien. Sterker nog hij jaagde op ze en al lang ook. Ja door de verrekte vossen is alles verdwenen, zo sprak hij, geen kieviten of fazanten meer te zien. Ik merkte voorzichtig op dat men zegt dat hoe meer je op vossen jaagt, hoe meer vossen er komen. ‘Onzin!’, riep hij natuurlijk en het was er niet de man naar om mee in discussie te gaan, dat voelde ik gelijk wel aan. ‘Ik ben wel een kip kwijt’ zei ik terwijl ik naar z’n hond keek, ‘door een hond.’ ‘Ja maar dat kan gebeuren,’ zei de jager, ‘ mijn hond heeft ook weleens een kip doodgebeten’. Juist ja.

Had er maar geen één beestje een baasje. Maar morgen moeten wij met z’n allen naar de stembus en er toch eentje uitkiezen. Een lastige dit keer, ik ben nog steeds een beetje zwevend. De politiek, dat is pas een beestenboel. Misschien dat het toch de Partij van de Dieren maar wordt…

Toen er nog twee Hepies waren
Ook zielig

Mevrouw

Met een voorbijganger raak ik in gesprek over oma’s, houtjes, haarden, slot Loevestein, jonkheren en kasteeldames. ‘Hoe noem je dat eigenlijk,’ vraagt hij, ‘iemand die in een watertoren woont?’ ‘Watertorenvrouwe,’ zeg ik. ‘Echt?’ en hij kijkt me met een schuin oog wantrouwig aan. ‘Natuurlijk!’ antwoord ik zo gedecideerd mogelijk.

Tsja, ´Watertorenvrouwe´ klinkt wel een beetje te adelijk eigenlijk en ik ben van alles, maar van adel zeker niet. Nu zit ik de laatste tijd sowieso een beetje in een crisis als het gaat om benamingen. Het valt me op dat er ineens een hoop ´u´ tegen me wordt gezegd en ´mevrouw´. Vaker wel dan niet zeg maar. Als er dan een keertje ´jongedame´ wordt gezegd veer ik helemaal op, ´ja dat ben ik!´ Maar alles wijst erop dat ik echt geen jongedame meer ben.

Toen de eerste rimpels zich openbaarden, zei Remko nog heel lief: ‘De meeste rimpels die jij hebt zijn lachrimpels.’ ‘Maar deze dan!’ riep ik en wees op een, in mijn ogen, gigantische groef. ‘Dat,’ zei de liefhebbende echtgenoot, ‘dat is de slaapvouw.’ Dat twee van mijn mooiste hobby’s zich zo kenbaar moesten maken in mijn gezicht, had van mij niet per sé gehoeven. Als je jarenlang altijd jonger geschat werd, hoop je dat het eeuwig zal duren. Maar alles, maar dan ook alles, heeft een begin en een einde.

Met mijn beste vriendin en nog wat vriendinnen van haar toog ik laatst, ‘for old times sake’ naar een optreden van Wipneus en Pim. (Zie de blog ‘Magie’ van april 2016). Al in de rij kijken we elkaar bevreemdend aan, ‘Staan we hier wel goed?’ De mensen om ons heen lijken allemaal naar een personeelsfeest te moeten, een concert van Bløf of wellicht een theatervoorstelling. Ze zijn een stuk ouder dan wij en heel volwassen, dat vooral. Binnengekomen haast ik me naar de bar om de eerste biertjes te bestellen. Hé een jongeling, een jaar of 19, komt mijn richting op. Hij behoort samen met twee vrienden tot de jongsten in de zaal. Ben benieuwd wat ie van mij moet. Hij zal mijn jeugdige inborst wel herkend hebben. ‘Mevrouw, waar is uw verkleedkleding?’ ‘Jongeman, zal ik jou even een hijs verkopen?’ Dat zeg ik niet, maar dat denk ik wel. Ondertussen is mijn beste vriendin zich behoorlijk aan het opfokken omdat er iemand in een bloemetjesjurk steeds de toch nog swingende heupen tegen haar aangooit. We gaan een verdieping hoger, waar er meer ruimte is en we ons eigen danspodium hebben. Rustig wachten we de komst van Wipneus en Pim af. Als zij eenmaal het podium betreden, kijkt beste vriendin mij geschokt aan. Ja, óók zij zijn ouder geworden. Al gauw wordt het witte overhemd van Wipneus nat van het zweet en tekent er zich een bierbuik in af. Alles heeft een begin en een einde. Lichtelijk gedesillusioneerd keren wij die nacht huiswaarts.

Maar goed terug naar de benamingen. Hoe wil ik dan genoemd worden? Het ligt er ook sterk aan wie wat zegt. Als iemand onder de 25 ´mevrouw´ zegt, heb ik daar in principe vrede mee hoor. Een beetje respect is natuurlijk altijd welkom. Zodra iemand wat dichter bij mijn eigen leeftijd komt (laten we zeggen boven de 35) vind ik het storend. Dan denk ik: ‘Tegen wie loop jij te ‘mevrouwen’ , zeg liever ‘Hé jij daar’ of gewoon niks. Een vrouwelijke collega zegt weleens ‘mupke’ of ‘vrouwke’ tegen me en daar smelt ik dan weer stiekem een beetje van. Maar als een mannelijke collega dat zou doen, vind ik het weer ‘not done’. Het is ook niet gemakkelijk, ik ben ook niet gemakkelijk, dat heb ik nooit gezegd.

Met weer een andere vriendin loop ik op een zaterdag door het centrum van Zaltbommel. Ik kom daar een vrolijke uitbundige kennis tegen. ‘Heeeeeey Torenvrouwtje!!!’ schalt het over de markt.

That’s it, ik doe het er voor!

Wonderlijk

Boven een schoenenwinkel, naast de Hema woonden we, midden in de binnenstad van Leiden. Ik werd er geboren en groeide er op. Het was een vreemd huis. Smal, maar ongelooflijk diep. Eigenlijk waren het twee huizen, verbonden met een klein gangetje met daartussen een piepklein binnenplaatsje, het enige plekje waar we buiten konden zitten. We speelden veel binnen en buurtkinderen waren er niet. In het achterhuis bevond zich boven de kamers van mijn oudste broer en zus, een gigantische zolder. Er stonden nog wat stellingen van toen het achterhuis nog als magazijn voor de schoenenwinkel fungeerde. Daarin speelden we (jongste broer en ik) o.a. Pluk van de petteflet. En één keer vond ik een zak nepsneeuw, etalagemateriaal, en creëerde samen met een nichtje een winterwonderlandschap. Dat werd niet bepaald gewaardeerd door moeders. Maar eigenlijk mocht ze niet klagen, want wij als kinderen hoefden nooit geëntertaind te worden, we vermaakten onszelf. Moeders was creatief en maakte, toen ik een kleine berenfamilie van de Sint kreeg, van een schoenendoos een mooi onderkomen. Mijn jongste broer die nóg creatiever was, maakte vanaf toen voor elk klein beestje wat ik kreeg, een huis. En zo groeide daar boven op zolder een heel dorp, ‘Wonderdorp’ heette het. De little ponies hadden met een pony of drie een hele grote villa tot hun beschikking. Een familie varkens woonde in een molen, gemaakt van een posterkoker, met wieken die echt konden draaien door een klein motortje, wat snoertjes en een heuse batterij. De batterij verhuisde af en toe naar de lift, die gemaakt was van een heel klein geel speelgoedemmertje en wat perspex standaards waar weleens schoenen op hadden gestaan. Vernuftig was het. Het liftje was nodig omdat het dorp twee verdiepingen had, bestaande uit twee met donkergroene pluche beklede platen die hoogstwaarschijnlijk ook ooit in de etalage hadden gestaan van de schoenenwinkel. Hello Kitty kwam met haar eigen plastic huis, maar de meeste dieren hadden toch echt een plekje nodig, zoals ook de miniatuur troetelbeertjes. Aan een balk van de zolder, boven het dorp hing aan twee visdraadjes een wolk, vervaardigd van een piepschuimen behuizing, waar een luxe speelgoedauto van broerlief in had gezeten, lijm erop, watten en klaar. Om het feest compleet te maken, kwam er ook nog een groot buurthuis bij. Eens in de zoveel tijd werd daar een gezellig feest gehouden en kwamen alle dieren bijeen. De boel werd opgeluisterd met slingers en van klei maakte ik de maaltijden. Er was geen ruzie in het dorp, er kwam nooit een rijdende rechter langs. Niemand was de baas en elke nieuwe gast werd hartelijk verwelkomd. Al woonden de little ponies in een kast van een huis, ze keken niet neer op de berenfamilie die al die tijd in hun schoenendoos was blijven wonen. Het kwam niet eens in ze op. De beren op hun beurt hadden er geen enkele moeite mee dat er een glow- in- the- dark muis en kat naast ze was komen. Ze waren wat anders dan anders, maar ergernis of angst bestond gewoonweg niet. Als er onverwacht nieuwe bewoners arriveerden (joehoe voor de rijksdaalder van oma) en er dus nog geen huis beschikbaar was, konden ze bij wie dan ook overnachten. Pais en vree all over the place. Wonderdorp, ik was een kind en wist niet beter, dan dat het nooit voorbij zou gaan.

Laatst ging ik een hapje eten ergens met de co-founder van het dorp, broer PapaTio (google die naam maar, is geinig). Hij vroeg zich af of er iets zou veranderen in de wereld als bepaalde angstzaaiende kranten een maand lang alleen maar positieve berichten eruit zouden gooien. Een mooie gedachte. Waar schijnen we ons licht op, waar ligt de focus?

In februari wonen we alweer een jaar hier. We hebben kleine en grootse plannen in ons hoofd. Een theetuin, een boeken-, kunst-, delicatessen en kerstmarktje, toneelvoorstellingen, concertjes, karaokeavonden etcetera. Waar, hoe en wanneer te beginnen weten we nog niet zo goed, maar sommigen mooie dingen starten al met een schoenendoos. We wonen potdorie in een wonderlijke watertoren en als dat mogelijk is, wie weet dan wat toekomst nog zal brengen. Kom maar langs het tuinpad en laat het wereldnieuws maar even voor wat het is. Een wondermooi 2017 voor iedereen gewenst.

Wondermooi

Omdenken

Het is hip tegenwoordig, jezelf overtuigen dat dingen vaak eigenlijk anders zijn dan je denkt. Nou, misschien is het helemaal niet zo hot en happening, maar denk ik dat alleen maar, omdat ik er zelf continu naar op zoek ben. Omdenken. Het zijn niet de omstandigheden die je een vervelend gevoel geven, maar jouw gedachten erover. Ja ja, ga er maar eens aan staan. Op kleine schaal lukt het soms wel.

Lange tijd hebben we geen vaste woon -of verblijfplek gehad, niet dat we zwervers waren, maar op z´n minst luxe nomaden. Met als gevolg dat we met alle gemak logeerden bij vrienden of familie. Bij mijn jongste broer konden we vaak terecht en mochten we in zijn bed slapen terwijl hij op de bank sliep, superlief. Op een dag kwam ik alleen en broer had een vriendinnetje. Nu moest ik op de bank. Het flitste even door mijn hoofd: ‘Waaaat, ik ben een ex-expatvrouw, ik slaap niet meer op luchtbedden of banken!’ Ik geef toe, mijn gedachten zijn soms decadenter dan ik zelf wil weten. Een paar dagen daarvoor had ik nog in een vliegtuig gezeten en iedereen weet dat sardientjes het nog beter hebben dan wie dan ook in economy class. Sardientjes liggen veelal in tomatensaus en dat is lang niet slecht. Ineens bedacht ik me: ‘Als ik toen, in dat vliegtuig, deze bank tot mijn beschikking had gehad, was ik intens gelukkig geweest.’ Voila, omdenken, heerlijk geslapen die nacht. Sterker nog, als ik nu bij mijn broer ben, wil ik alleen nog maar op die bank slapen, ook als ik een ander bed krijg aangeboden. Het is echt een topbank!

Temperatuur is ook een vreemd iets, vooral de aanvoeltemperatuur. In de Europese zomer van 2006 kwamen we aan in Buenos Aires. Dat het daar winter was, was vooral te zien aan hoe de mensen zich kleedden. Dikke jassen aan, lange sjalen, wollen mutsen op, dat werk. Al dolend over de Avenida 9 de Julio deed ik toch even mijn vestje uit en liep verder in mijn T-shirt, het was verdorie 18 graden, doe eens normaal. Een jaar later had ik samen met een nieuw verworven vriendin afgesproken met Vlaamse kennissen van kennissen, maar geen idee hoe we ze moesten herkennen. Het bleek niet moeilijk, ze zaten met spaghettibandjeshempjes in de winterzon en wij kwamen aankakken in onze winterjassen met bijbehorende sjaals. Qua aanvoeltemperatuur waren we inmiddels volledig geïntegreerd.

In Brazilië (mijn welgemeende excuses als het lijkt alsof ik alleen maar aan het pochen ben over ons leven in den vreemde, het is ons verleden, ik kan het ook niet helpen), in Brazilië dus, hadden we op onze eerste bestemming geen verwarming. Logisch, we zaten in de tropen. Toen het echter 16 graden buiten was in de winter en dus ook 16 graden binnen, begonnen we het toch te missen. Gek genoeg waren er in de winkels geen truien te vinden en zaten we ’s avonds dicht tegen elkaar aan met fleece dekentjes over ons heen, televisie te kijken.

Wat heeft dit in vredesnaam allemaal met de toren te maken? Nu, ik was even weg, in Panama wel te verstaan. Het regende er veel, maar het was er wel warm. Op een mooie zonnige dinsdag met fijne crispy vriesachtige kou keerde ik terug. De toren, daar stond ie mooi te wezen, bomen kaal, helemaal te zien. Ik had mij enorme zorgen gemaakt in Panama, was alles nog oké, zouden er leidingen gesprongen zijn en zou ik terugkomen in een ijspaleis met ijspegels aan de vloeren? Binnen bleek er niets aan het handje te zijn. Het was er koud, maar na wat uren de verwarming aan en de houtkachel, kwam het op een mooie temperatuur. Ik werd vervuld met een enorme blijdschap, ik was thuis! In 10 jaar ben ik niet meer thuis geweest in Nederland, écht thuis. Altijd kwamen we op verlof terug in het huis van een ander en nu in onze mooie toren. En ja het is er koud in de winter, ja het kost tijd om er het er gemoedelijk warm te krijgen. Maar doe warme kleren aan, bedek jezelf met Braziliaanse fleece dekentjes en je went er zo aan. Ik hoef verder met niemand rekening te houden, want hier gelden mijn regels. Ik doe wat ik doe en vraag niet waarom. Verder beeld ik mij in dat ik niet net in Midden-Amerika zat, maar op vakantie was naar Siberië. Dan valt het allemaal reuze mee met de frissigheid. Kijk, dat is nou omdenken.

Liefde

Zaltbommel. Ik weet niet hoe lang het precies gaat duren voor ik me een Bommelse mag noemen en of daar regels voor zijn. Maar ik ben er achtergekomen dat mijn roots onverwacht ver teruggaan naar deze stad. De eerste ´Flach´(dat is mijn achternaam) geboren in 1749, die van Duitsland naar Nederland verhuisde, vestigde zich nota bene in Zaltbommel. ‘Johann Conrad Flach’ heette de beste man en hij was schoenmaker. Nu wil het vreemde geval dat als ik een jongentje was geweest, mijn ouders mij Coenraad hadden genoemd. Opmerkelijk, omdat er verder helemaal niemand Coenraad heet in de familie en mijn ouders zich nooit zo ver terug in de geschiedenis hebben verdiept. Ook heb ik enige tijd in de schoenenbranche gewerkt. We kunnen dus wel met grote stelligheid beweren dat ik een reïnkanarie ben, dat begrijpt u.

En dan ligt dat mooie pittoreske stadje ook nog eens midden in de bible belt. Bommel schijnt dan nog wel mee te vallen, maar het wordt omringt door gereformeerde gemeenten. ‘The Black panties’ noemen ze deze gelovigen hier en die term vind ik zo extreem grappig, dat ik altijd heel hard moet lachen als ik ’m hoor. Zelf ben ik ook gereformeerd opgevoed, maar niet zo zwaar als bij de zwarte kousen kerk, nee wij waren ‘vrijgemaakt’. Wat het verschil is durf ik niet precies te zeggen, het heeft iets te maken met één of ander artikel. Maar ik zeg altijd: ‘Wij mochten wel met een spijkerbroek aan naar de kerk.’ Toen ik 21 was heb ik me uit laten schrijven, dit tot groot verdriet van mijn ouders. Het zijn dingen die je niet in de koude kleren gaan zitten (of dit nu een spijkerrok is of een spijkerbroek). Heel je jonge leven krijg je mee dat het zo’n beetje het ergste is wat je kan doen, van de kerk afgaan. En dan doe je juist dat. Het is een oud en bekend verschijnsel natuurlijk. Ik wil me niet met de paradijselijke Eva vergelijken, maar zet ergens een boom neer waar je nou net niet aan mag zitten, dikke kans dat je daar toch even van wil proeven.

Op een dag in het centrum van Zaltbommel word ik aangesproken door een jongeman. Of ik in God geloof? ‘Goeie vraag’, antwoord ik, ‘ik denk het wel ja.’ ‘Denk je dat je dan ook in de hemel komt?’ ‘Jazeker!’ repliceer ik. ‘Waarom denk je dat?’ vraagt hij. ‘Omdat God nogal van de makkelijke is.’ Alles aan de jongeman heeft een hoog Andries Knevel gehalte, wat mij een beetje ongemakkelijk maakt. Hij stelt nog meer vragen, waar ik allemaal een antwoord op heb. Op een gegeven moment zeg ik hem dat hij mij echt niks meer hoeft te vertellen, omdat ik na 18 jaar 2 keer per zondag naar de kerk geweest te zijn, heus wel van de hoed en de rand weet. Of ik dan een folder wil. Nee ook niet en een beetje nijdig fiets ik weg. Geïrriteerd omdat ik me even weer niet goed genoeg voelde, omdat iemand vindt dat ik eigenlijk wel naar de kerk zou moeten gaan.

De dagen daarna houdt het me lang bezig. Ik ben pissig op mezelf omdat ik de goedgelovige meneer niet van de juiste repliek heb gediend. Achteraf had ik hem willen vertellen van mijn opa, die zoals mijn moeder altijd zei, zo vroom was als gemalen poppestront (het was mijn vaders vader). Die opa vroeg mij eens: ‘Wat is het belangrijkste in het leven, geloof, hoop of liefde?’ Omdat opa zoals gezegd zo vroom was, dacht ik dat het juiste antwoord wel ‘geloof ’ moest zijn. ‘Nee’, zei opa, ‘Het is de liefde.’ 1 Korintiërs 13, daar staat het, het is een prachtig stukje tekst. Mijn grootvader had vast niet gedacht dat er daardoor een kentering zou komen in mijn gedachtegoed.
Ook had ik de evangelist willen informeren over de Romeinse keizer Marcus Aurelius. Dat hij het volgende claimde: ‘Leef een goed leven, als er goden bestaan die rechtvaardig zijn, maakt het ze niet uit hoe vroom je was, maar ben je welkom om je goede eigenschappen. Als de goden niet rechtvaardig zijn, moet je überhaupt niet in ze geloven. Als er geen goden zijn, heb je toch een nobel leven geleefd dat in de herinneringen van je geliefden voort zal leven. ’ Nou ja iets van die strekking, het woord ‘überhaupt’ heeft ie denk ik niet gebruikt, maar dat zullen mijn Duitse roots zijn die spreken.

Al deze dingen heb ik echter niet gezegd. Het doet er ook niet toe, de jongeman kon mij niet overtuigen en andersom was dat waarschijnlijk ook niet gelukt. En ik moet mijn irritatie laten varen want: ‘De liefde is geduldig en vol goedheid. De liefde kent geen afgunst, geen ijdel vertoon en geen zelfgenoegzaamheid. Ze is niet grof en niet zelfzuchtig, ze laat zich niet boos maken en rekent het kwaad niet aan, ze verheugt zich niet over het onrecht maar vindt vreugde in de waarheid.’ Toch mooi hè, zo’n bijbel.

Kind

Als we een euro zouden krijgen van iedereen die foto’s maakt van ons huis, zouden we aardig binnenlopen. Een euro per persoon hè, niet per foto, we moeten niet overdrijven. Het is een bijzonder huis en dat blijft het. Ook voor ons is het nog steeds niet alledaags. Waar op feestjes en partijen mensen elkaar foto’s laten zien van hun kinderen, laten wij foto’s zien van ons huis, te pas en te onpas. Het is ook echt ons kind aan het worden. We willen louter en alleen positieve dingen horen over onze toren. Maar in je achterhoofd denk je weleens, nou alleen maar leuk is ie ook weer niet. Echter als iemand negatief is of gewoon niet overenthousiast, dan vinden we dat pas echt stom. Het is ook nooit goed.

Maanden geleden alweer had ik een wasmachine besteld. Ik zat me te verkneukelen op het idee om tegen de bezorger te zeggen: ‘hij moet helemaal naar boven.’ Daar was ie dan, de bestelbus. De beste man stapte uit, wierp vluchtig een blik op de toren en maakte aanstalten om de deuren van de bus open te maken. Met glinstering in mijn ogen zei ik: ‘hij moet helemaal naar boven.’ Ik weet het niet, mijn timing was fout denk ik, iets ging er mis. De bezorger verblikte of verbloosde niet. Snel, te snel, zei ik: ‘Nee hoor grapje.’ ‘Ach’, zei de man, ik heb alles al meegemaakt.’ Nou dat kan het dan inderdaad niet anders geweest zijn. Jemig hé, je staat voor een toren, een briljante toren. Juichen moet je.

Omdat we toch nog weleens moeten reizen naar verre oorden, moesten ons vaccinaties weer eens up to date worden gemaakt. Gingen we vroeger altijd braaf naar de GGD, kwam de Remkoos nu met iets nieuws. Thuisvaccinaties. Op de één of andere manier blijft dat woord niet lekker hangen in mijn hoofd en zeg ik steeds: thuisfascinaties, maar dat terzijde. Tussen half zeven en zeven zou er iemand komen om ons weer geheel bestendig te maken voor gele koorts. Ik zat boven in de toren te wachten en daar was ie. Ik verwelkomde de meneer en zei vrolijk: ‘In zo’n huis komt u vast ook niet iedere dag!’ De bebaarde meneer keek me vernietigend aan: ‘Dit doe ik noooooit meer!’ Achter de man volgde een bedremmelde Remko, waarschijnlijk was er al heel wat gal over mijn lieve echtgenoot gespuwd op weg naar boven. De prikman had de toren niet kunnen vinden, de tomtom had hem verkeerd gestuurd. Dit geintje kostte hem zeker twee consulten en daar werd ie niet voor betaald. Dan had ie ook nog een stuk moeten lopen met zijn koffer en dan nog die verdomde trappen lopen naar boven. Ook was er veel te weinig ruimte om te doen wat ie moest doen. Het leek alsof ie dacht dat we het allemaal opzettelijk hadden gedaan, om hem dwars te zitten, om te gaan wonen op zo’n achterlijke plek. De hele bovenverdieping vulde zich met een donkere wolk van negativiteit. We bleven beleefd, boden onze excuses aan, en zeiden dat we het echt niet expres hadden gedaan. ‘Be kind to unkind people, they need it the most.’ Ik kreeg wel spontaan een thuisfascinatie voor de man, hoe boos en onbeleefd kan je zijn. En dan moet zo’n vent ook nog een spuit in je arm jenzen, fijn hé. Omdat we vriendelijk bleven kalmeerde de man wat en zei nog wel dat ie het op een ander moment wel interessant zou hebben gevonden. Maar dat ie er nooit zou kunnen wonen omdat het zo klein was. Toen ie de deur uit was zag Remko eruit of iemand gezegd had dat zijn kind nergens goed voor was. ‘Zo klein is het hier toch niet?’ vroeg het lief met een beteuterd gezicht. ‘Nou Remko, het is hier niet groot, maar het doet er niet toe, want het is hier wel superleuk en waar die man last van had, dat weet ik ook niet.’

Zo’n incident staat in schril contrast met alle waanzinnig leuke reacties die we krijgen. Mensen die echt flabbergasted aan de poort staan. Met kunst, kiezel en klei (expo in eigen tuin) mocht er bij hoge uitzondering een meneer de toren in met een door mij gemaakte audiotour. Toen hij eruit kwam vroeg ie: ‘Mag ik met je trouwen?’ Zo kan het dus ook en zo prefereren we het. Geen slecht woord over ons kind!