Identiteit

Soms kom je in gesprekken terecht waarvan je denkt: ‘Hoe ben ik hier eigenlijk terechtgekomen?’ Zo zat ik een keer in een conversatie over het wel of niet aanschaffen van een tweede afwasmachine. Na het een tijdje aangehoord te hebben zei ik: ‘Jongens, ik heb een teiltje.’ ‘Ja maar jij hebt een toren, ’ zei het gezelschap en daar hadden zij dan weer gelijk in.

Het is soms een beetje gênant, hoe ik zelf mijn identiteit zit te koppelen aan waar ik woon. Ik hoor het mezelf ook doen. In mijn werk kom ik nogal veel mensen tegen die ik nog niet ken. Op de één of andere manier weet ik het gesprek vaak te manoeuvreren naar een ‘Ik woon hier vlak in de buurt situatie, pompiedom in die oude watertoren weet je wel.’ ‘Echt waar? Wat bijzonder!’ ‘Uitslover’ denk ik dan, ‘daar ga je weer.’

Op feesten en partijen had ik er altijd de schurft aan als mensen aan me vroegen wat ik voor werk deed. Ik vond het niet fair dat ik het gevoel kreeg dat je beroep zegt wie je bent. Daarom stel ik die vraag zelf ook het liefst niet. Tenzij het gesprek zo moeizaam is, dat je niet anders kan. Ik wil liever weten welke muziek je leuk vindt, of je van koriander houdt, of je melk in je koffie drinkt en als je thee drinkt, welke. En als ik erbij zeg dat ik mijn mening wat ik van je vind op de uitkomst baseer, is dat natuurlijk maar scherts. (Echter: Funk, hiphop, soul, blues, vleugje jazz, reggae, ja tegen koriander, zwarte koffie, als je thee drinkt, liefst sterremunt, in ieder geval geen rooibos: dikke plus!).

Soms zei ik dat ik kunstenaar was. Dat doe ik nog weleens in een dolle bui. Maar eigenlijk wil je de rits vragen die erop volgt ook helemaal niet beantwoorden. Laatst belde ik met een vriendin van vroeger van de kunstacademie: ‘Ik heb me lang schuldig gevoeld dat ik te weinig maakte’ zei ik. ‘Schuldig?’ zei zij. ‘Ja schuldig, ik ben gereformeerd opgevoed weet je nog en dus in zonde ontvangen en geboren, wij hebben schuld uitgevonden.’ ‘En bij jou, ’vroeg ik, ‘hoe staat het met jou met de kunsten?’ ‘Ik ben er mee opgehouden om mezelf zo serieus te nemen’, zei zij, ‘ik ben er wel even klaar mee.’ Hè verfrissend, zo kan het dus ook.

´Kunstenaars zijn egotrippers´ zei iemand lang lang geleden eens tegen me. En daar zou nog best weleens een dikke kern van waarheid in kunnen zitten. ´Kunstenaars denken vaak in problemen, terwijl ontwerpers bijvoorbeeld in oplossingen denken´, een mooie opvatting die ik pas hoorde, mooi en pijnlijk, want herkenbaar. Ik weet niet of ik wel zo graag een kunstenaar wil zijn.

Een neef van Remko appt me ineens. Da´s waar ik zou nog een keer een verhaal voor hem schrijven over het feit dat ik nu een baan heb waar ik heel blij van wordt. ´Ha Erika´, luidt de whatsapp, ´wil jij nog eens je succesverhaal schrijven mbt je werk? Jij bent wat dat betreft een prachtige powervrouw die het toch maar even geflikt heeft, jaaaarenlang geen baan en zomaar een te gekke functie te pakken!!´ Die a’s in dat jarenlang die doen het hem natuurlijk. Het is ook zo, ik was een expatvrouw en wat doe je dan eigenlijk? Een paar uurtjes in de week Nederlandse les geven aan Spaans sprekende kleuters (waar ik eerlijkheidshalve echt heel slecht in was). Twee keer drie weken gewerkt als invalster gedetineerdenbegeleidster op de ambassade (dat kon ik wel goed al zeg ik het zelf). En nog wel een behoorlijk tijdje aan de arbeid in een backpackershostel als receptiedame. Bijna dezelfde functie die ik nu bekleed alleen dan in een net iets andere setting. Op het moment ben ik de dame die bij de ontvangst staat bij een bedrijf dat opleidingen en trainingen geeft in softskills. Als nu iemand me vraagt wat voor werk ik doe, zit ik daar niet meer zo mee. Ik heb een pasklaar antwoord en dat is prettig. En o ja, weet je waar ik woon?

Mama

Waar ga je straks naartoe?’ vraagt ze. ‘Naar Zaltbommel, mama, naar ons torentje.’ ‘Oh ja, leuke mensen hè in Zaltbommel?’ ‘Ja mam, leuke mensen.’ `Wist je dat papa’s moeder daar vroeger weleens kwam om kleding voor de mensen in Hongarije op te halen?’ ‘Ja mam, bij de gezusters Kwekel’, ‘Dat je dat weet, of had ik dat al eens verteld?’ Mama kan het op een ochtend wel een keer of vijf vertellen. ‘Misschien leven ze nog wel, de gezusters Kwekel’, ‘Dat denk ik niet mam.’

Laatst belde ik moeders. ‘U bent jarig aanstaande zaterdag.’ ‘Aanstaande zaterdag? Weet je dat zeker? Echt aanstaande zaterdag?’ ‘Ja, echt aanstaande zaterdag.’ ‘Hè getver!’ ‘U hoeft niks te doen, we komen allemaal en nemen iets lekkers mee en als het mooi weer is gaan we naar buiten om te picknicken.’ En zo geschiedde.

De dinsdag daarop ben ik weer op bezoek: ‘Het was leuk hè afgelopen zaterdag?’ Mama kijkt wat glazig en papa beaamt vrolijk dat het inderdaad heel gezellig was. Het begint ineens weer te dagen bij mams: ‘Ja, het was super, jammer dat je er niet was!’ Ik moet lachen, maar tegelijkertijd voel ik iets steken van binnen.

Hoe vaak ze vroeger riep over sommige mensen: ‘Och over die en die, ik zou er een boek over kunnen schrijven!’ En nu denk ik het, over haar. ‘Weet u nog mam, dat ik vroeger op uw schoot zat in de kerk en uw handen bestudeerde?’ ‘Ja, dat weet ik nog, dat was een fijn gevoel, wat dacht jij toen?’ ‘Ik weet het niet, ik vond het interessant en nu als ik naar mijn eigen handen kijk, zie ik dezelfde handen.’ De intimiteit tussen ouder en kind verdwijnt zachtjes aan. Ineens zit je niet meer bij je papa of mama op schoot. Ik weet nog dat ik er van baalde dat ze me op een gegeven moment niet meer naar bed brachten. Mama kwam me nog weleens een kus geven en liet dan steevast een wind: ‘Kan je nog eens aan me denken´, zei ze dan lachend. Haar humor is ze nog niet kwijt gelukkig en ik kan niet zeggen dat ze chagrijnig overkomt. Maar echt weten doe ik het niet. ‘Had jij dat als kind ook al, dat je je altijd overal zorgen over maakte?’, vraagt ze ineens aan mijn vader. ‘Nee, ik geloof het niet’ antwoordt papa. ‘Ik wel’ zegt zij, ‘ik ook’, zeg ik.

Er zitten wat ongewenste haren op haar kin, ze heeft het zelf niet meer door, ze ziet het niet. Ik haal ze er uit met een pincetje. Onze gezichten zijn heel dicht bij elkaar. Ze geniet ervan, ik zie het aan haar. De korte pijntjes van het trekken met het pincet doen er niet toe. ‘Dat u dat nog mag meemaken op uw leeftijd, een klein baardje!’ zeg ik. Ze lacht hard.

Twee keer zijn ze bij de watertoren geweest, papa zelfs helemaal boven. Mama loopt slecht, dus een beklimming zit er zeker niet meer in. Tegen anderen heeft ze het wel over die dochter die in een watertoren woont. Ze heeft me weleens gevraagd: ‘Die watertoren, zit daar ook iets van een tuintje bij?’ ‘Nee ma, we hebben het er lekker geasfalteerd, het is nu een klein parkeerterreintje.’ Lomp van mij ik weet het, ik schaam me soms een beetje. Maar geloof me als ik zeg dat de appel bepaald niet ver van de boom gevallen is.

Soms heb ik een hele lijst van bezoekjes die ik nog af ga leggen als ik bij mijn ouders ben geweest. Dan wordt het wat vermoeiend om steeds die hele lijst op te noemen als ze vraagt waar ik straks naartoe ga. Als ik dan bij een vriendin op visite ben zeg ik: ‘Je krijgt vijf keer de groeten van mijn moeder.’ Ik moet leren om korte antwoorden te geven.

Waar ga je straks naartoe?’ ‘Naar Zaltbommel, mama, naar ons torentje.’ ‘Oh ja, leuke mensen hè in Zaltbommel?’ ‘ Ja mam, leuke mensen.

Trap

´Never grow up, it’s a trap´, staat er op één van mijn vele notitieboekjes. Mooi, maar ontkomen we er wel aan?

Mijn jeugdvriendinnetje en ik hadden een rijke fantasie en toen we rond de zes of zeven jaar oud waren hadden we een aantal scenario’s waar we uit konden kiezen als het pauze was. Van cowboytjes (omdat we fan waren van Lucky Luke) tot deftige dametjes. Onze mouwen haalden we onder onze jas vandaan en schoven die tot halverwege onze handen vlak onder onder onze vingers, dat waren dan nette handschoentjes. De deftige dametjes hadden beiden een paard en zaten daar heel chique in amazonezit op, dus met de benen aan één kant…Het moet een koddig gezicht zijn geweest, twee kleine meisjes die zijwaarts over het schoolplein huppelden. Het hoekje dat was ontstaan door het lage ijzeren hek dat openstond was onze make-upkamer. Het schoolplein had een groot vlak met net een ander kleur grijze stenen dan de rest. Dat was ons zwembad. Ik weet nog dat we een keer berispt werden door de juffrouw en we op moesten staan, anders zouden we blaasontsteking krijgen van het zitten op de koude tegels. Juffrouw Reitsema begreep ook niets, we zaten daar prinsheerlijk aan ons eigen zwembad nota bene en het was zomer. Oké het was eind winter, maar kom op. Iets verderop stonden nog wat vreemde boomstronken. In die tijd was er op de televisie een fantastische tekenfilm ‘de familie Robinson’. De familie woonde in een geweldige grote boomhut en al snel werden de boomstronken onze boomhut. We liepen ook gewoon echt de trappen op.

Hoe ouder je wordt, hoe minder je gaat spelen. Ergens zal het een natuurlijke gang van zaken zijn, maar aan de andere kant leert school je al snel genoeg dat het leven geen spel is, althans dat het zeker niet zo hoort te zijn. Het zijn niet alleen de school en je ouders die je opvoeden, maar ook je land. En binnen dat land bezit soms een dorp of een stad nog zijn eigen cultuur. En binnen die cultuur heb je nog weer buurtculturen en andere subculturen. En de tijd die een dikke stempel drukt op ‘hoe het moet en hoort.’ Toen mijn moeder trouwde, was het ongehoord dat ze door bleef werken. Als je nu zegt dat je huisvrouw bent, word je meewarig aangekeken. De media geven ons het gevoel dat we vooral maar moeten kopen, kopen en nog eens kopen om er een beetje bij te horen. Daarnaast wil iedereen uniek zijn, maar als je een baard hebt en een knotje op je hoofd is de kans niet gering dat er nog meer van jouw soort rondlopen. Maar goed, laten we vooral een beetje meedoen en ons normaal gedragen. Er zijn mensen die denken dat er minder oorlog zou zijn als er geen religie was, zonder te beseffen dat de oorlog in ons allen zit. We maken continu verschil, in rangen en standen en wat we maar kunnen verzinnen. Allemaal hebben we onze eigen denkbeelden en die van ons zijn de enige echte juiste, want ze komen van ons af en wij zijn nou eenmaal de beste. ´Jammer dat de watertoren niet door een echte Bommelaar is gekocht´, zei iemand laatst tegen ons. ´Ja knul, dacht ik later, `een pluim voor je alternatieve uiterlijk, spijtig van je chauvinistische ideeën. Chauvinistisch is vast niet het juiste woord voor overdreven stadsliefde, maar ik weet zo gauw niks beters. Stadtriotisme ofzo.´ Er komt weer een oude strijdvaardige rapster in mij boven, ook al staat het dan niet op rijm. Pas op voor de toorn van de Erikava’s.

Ik voel me nog weleens een cowboy en op mijn werk een deftig dametje. En als ik in onze toren de trappen oploop, ben ik daar toch in ene in die boomhut. Ik verlang er weleens naar om ‘normaler’ te leven, omdat me dat simpeler lijkt. Maar het lukt me geloof ik niet.

Dan maar een beetje zijwaarts door het leven huppelen. Want eerlijk is eerlijk: ‘We never grow up, we just grow old.’

Briefje van mij aan mijn homegirl in 1996 🙂

Remko

De watertorenheer. Hij komt terug van weggeweest en hij is lang weggeweest! Vorig jaar zat hij 38 weken van de 52 in het buitenland. Niet aansluitend, maar toch. Ik zeg weleens gekscherend: ‘Wie is die man die ook op zondag het vlees niet komt snijden?’ Je kan er maar beter een grapje van maken, want anders is het om te huilen. Toen hij rond de kerst thuis was liep ik trots met hem door de stad met het gevoel van ‘Kijk, dit is hem nou, ik heb hem niet verzonnen.’

Dit jaar ben ik de helft van mijn leven samen met de Remkoos. Wie had dat kunnen denken in het begin? Ik niet in ieder geval. Het was het jaar 1999 toen ik in het studentenhuis in ’s-Hertogenbosch kwam wonen, op een gang met zeven andere studenten. Ik was een kleine bozerik, geloof het of niet. Ik vond ze prima, die zes huisgenoten, dat was het, prima. Eén student was er nog niet, die was op stage in Singapore. We hadden zo’n ouderwets telefoonhok, waarin je na elk telefoongesprek de ‘tikken’ op moest schrijven in een schrift. Het hele telefoonhok was volgekrabbeld met simpele doedels van iedereen, maar een aantal tekeningetjes wekten mijn interesse. Graffitiachtige dingetjes van ene ‘Wicky’. Ze waren van de in Singapore stage lopende student. Ik bestudeerde de foto’s van feestjes, die in de gemeenschappelijke woonkamer hingen. Was toch wel benieuwd naar die jongeman die nog niet was gearriveerd.

Op een middag was ie daar ineens. Hij kwam mijn kamer binnen om zich voor te stellen. Ik was gelijk onder de indruk, maar niet positief. Wie was deze gast? Behoorlijk extravert, naar mijn idee zelfingenomen en hij deed me denken aan lullo Kamphuis van de serie ‘Jiskefet.’ ´Toi, toi, toi` zei die toen hij uit mijn kamer vertrok en ik dacht bij mezelf ´Ja, doei!!!´

Tsja, je woonde bijelkaar in huis dus je kon elkaar niet ontlopen. Doorgaans aten we ook met z´n allen en dan leer je elkaar toch beter kennen. Wicky was nogal van de discussies en schuwde het niet om een afwijkende mening te hebben. Geen blad voor de mond. Anders dan anderen.
Op een zaterdag dat ik in Den Bosch bleef, hoorde ik hem bellen met iemand. `Hey´, dacht ik ´hij is wakker´ en ik liep opzettelijk voorbij het telefoonhok. `Hey` hoorde ik hem zeggen, ´Erika is wakker.´ Binnen een mum van tijd legde hij de hoorn erop en raakten we weer verzeild in een ellenlange gedachtewisseling.

´Wicky´ was de bijnaam van Remko, maar dat had u vast al begrepen. We kregen verkering na een paar biertjes teveel (zo omschreef Remko dat laatst in een valentijnsmail en zo was het ook). Ik had echt niet gelijk het idee van ‘dit is de ware, holadiejee.’ Maar ik besefte wel al snel dat ik me niet voor kon stellen hoe het zou zijn, als het uit was. Mijn moeder had vroeger eens gevraagd aan haar moeder: ‘Hoe voelt dat nou, als je van iemand houdt?’ Mijn oma had geantwoord: ‘Als het zover is, dan stel je die vraag niet, dan weet je het.’ Was ik daarvoor nogal een twijfelkont, nu wist ik het. De Remkoos bleek namelijk een buitengewone grappige en lieve meneer te zijn.

Jaren later, wandelden we rond de Oosterplas in Den Bosch. We woonden inmiddels samen in een huisje in een volkswijk. Er was een ‘Is dit alles-gevoel?’. Niet jegens elkaar gelukkig, maar wel voor het leven wat we toen leidden. Daar op die grijze dag, besloten we om naar het buitenland te gaan. Een lang gekoesterde droom van Remko en mij leek het ook wel wat. Een beetje schilderen in den vreemde. We hadden altijd gezegd dat we het niet nodig vonden om te trouwen. Remko werd aangenomen door een Belgisch baggerbedrijf dat trouwen echter wel aanraadde. Het werd mij medegedeeld over de telefoon door Remko. ‘Vraag je me nu ten huwelijk?’ vroeg ik, ‘ja, ik geloof van wel’ zei hij. ‘We hebben het er nog wel over als je thuis bent.’ Onder lichte druk mijnerzijds heeft hij mij nog op een mooie officiële manier gevraagd.

We vertrokken met de afspraak dat als één van de twee het niet meer leuk vond, we beiden weer terug zouden gaan en dat je als je het zelf nog wel naar je zin had, je het de ander nooit kwalijk mocht nemen. Uiteindelijk was de koek op bij ons allebei, gingen we naar Nederland en hadden geen idee wat we met ons leven aan moesten (nog steeds niet hoor). Het was in ieder geval niet de bedoeling weer weg te gaan. En terwijl we een beetje aan het wachten waren tot we wisten wat we gingen doen, kwam er toch weer een baan overzees. Panama, Colombia, Aruba. Maar daar was ook ineens een watertoren. En een watertorendame die het niet meer zag zitten om mee te gaan. En dan samen beslissen om te kijken hoe het loopt, als de één gaat en de ander blijft. Het ging en het was leerzaam. Maar hoe leuk is leerzaam? Dat ik er nu achter ben dat de troep die er in huis gemaakt wordt, toch echt mijn eigen troep is, is gewoon een beetje jammer. Dat ik inmiddels ook goed kook als er niemand is om voor te koken behalve ikzelf, is prettig. Dat ik erachter ben dat ik prima mijn eigen zaakjes kan rooien, is fijn. Dat gevoel was ik een beetje kwijt na jaren de expatvrouw uitgehangen te hebben. Maar het wordt tijd dat de grote expatter zelf weer naar huis komt.

Iemand stelde laatst deze vraag op facebook. ‘Wat is het dat een goeie relatie doet slagen?’ Mijn antwoord was: ‘Een hele hoop humor en lage verwachtingspatronen.’ En daar wil ik nog wel aan toe voegen: ‘Veel ouwehoeren met elkaar, elkaars beste mattie zijn, wat over hebben voor de ander en niet je geluk van die ander af laten hangen.’

Het zal ook wel weer wennen zijn, als ie er weer is. Maak ik me daar weer zorgen over… Maar als ik hem bel en hij enthousiast roept: ‘Heeeeey liefjenpiefjens!’ dan denk ik dat het wel goed komt.

Bikkel

Nu is januari nooit mijn favoriete maand geweest, maar ik vond het bikkelen afgelopen tijd. En ik was de enige niet, zo viel mij op in mijn omgeving. Er werd een hoop afgebikkelt. Grijs vochtig rotweer hielp de gemoederen niet mee een beetje optimistisch te zijn. De watertorenheer was weer vertrokken, dus ik kon ook niet zo goed schuilen. De weekenden waren fijn, want ik probeer wel steeds te vluchten in ´leuke dingen doen.’ Dat kan ik wel.

Soms heb je het idee dat je wel altijd moet doen alsof alles maar leuk en aardig is. En op de vraag: ‘Alles goed’ zeg je maar ‘ja’, want dan ben je er weer vanaf en je hebt ook lang niet altijd zin om te vertellen over hoe en wat. De Remkoos heeft veel op terreinen gewerkt, waarin men net even wat grover in de mond was en kwam dan zelf goed beslagen ten ijs door te vragen: ‘Hey, alles kut?’ (Excusez le mot). Ik vind het wel een mooie vraag. Veel makkelijker te beantwoorden vaak.

Ik lees wel aardig veel boeken de laatste tijd, lekker is dat. Mooie zinnen kom je soms tegen. (Uit ‘De zwarte met het witte hart’; Arthur Japin; blz 213:) ‘Hoe goed bedoeld ook, sympathie is als het stevig strelen van een bloeduitstorting, je wordt je bewust van verwondingen die je nog niet had ontdekt.’ Diep hè? Denk daar maar eens over na. Nee, ik zal het wel uitleggen.

‘Knap hoor, jij alleen zo in die toren, ik doe het je niet na.’ Ja…ik vind het ook eigenlijk stiekem wel stoer van mezelf. En ik wil daar helemaal niet zielig over doen. En je mag me er best complimentjes over geven en toch…Soms vat ik het dan ook op als sympathie en begint het kalmpjes aan een beetje zeer te doen. Dan denk ik: Getverpielenkens, zit ik daar weer alleen te bikkelen en te klooien met temperaturen en dingen en oncomfortabel en alles. En dan vloek ik even en voel ik me toch een beetje sneu. En ik haat sneu, want ‘sneu’ daar hebben we het niet over, maar maken we er zelf alleen maar van in ons hoofd.

Toch heb ik me gewoon wel geuit in mijn directe omgeving. Want het helpt. Als jij open bent, zijn anderen ook open en hoor je een hoop verhalen. En kom je erachter dat mensen je heus wel willen helpen en dat hulp soms uit onverwachte hoek komt. En dat mensen echt niet per definitie advies geven waar je niet op zit te wachten of je medelijden geven, wat je ook niet wil. Mensen…eigenlijk zijn ze best wel oké.

Inmiddels is het februari en vriest het. Kan me niet schelen, de zon schijnt. En mijn lichaam kan heel goed tegen kou. ‘Dit is weer, waar wij Nederlanders wel bij varen’ hoorde ik vandaag zeggen. En ik geloof dat het waar is. Ik wel in ieder geval.

Een enkele keer kijk ik nog wel eens naar mailtjes die ik ontvang van een makelaar. Kijken naar andere huizen, alsof ik een beetje vreemd ga. Ik krijg er eerlijk gezegd nooit honger van. Ik hou namelijk zielsveel van onze watertoren, ons torentje, het is me er eentje. En laatst heb ik weer een nieuwe spreuk gemaakt: ‘Als je avontuur wilt, moet je offers brengen. ’ En ik wil avontuur.

Wandelend door de vrieskou met de zon op mijn kop, hoor ik het liedje ‘We beginnen pas’ van de Dijk rondzingen in mijn gedachten. En dan vooral het refrein. ‘Alles komt terecht, we zijn er nog niet, maar we zijn onderweg.’

Trouwens, als je me ziet, mag je me best vragen ‘Alles k&*?’ Ik zal je naar eer en geweten antwoord geven.

Nieuwjaar

Vol beloften en wensen beginnen we er weer aan, een nieuw jaar. Wat zal het gaan brengen en maken we dit jaar onze goede voornemens waar. Stoppen met alles wat slecht voor ons is. Is alles wat slecht voor ons is, wel zo slecht kan je je afvragen. Waren we er anders niet allang mee gestopt? Veel dingen hebben helaas wel van die vervelende gevolgen.

De vakantiekilo’s plakken nog aan me vast en met de feestdagen werd het allemaal niet beter. Al zegt men dat je dikker wordt tussen oud en nieuw en kerst en niet tussen kerst en oud en nieuw. En het lijf is er al lang aan gewend om zoveel trappen te lopen, jammer, maar helaas. Ik klaag er een beetje over tegenover de watertorenheer, die dan lieve dingen zegt als: ‘Ik vind je leuk zoals je bent.’ En wijze dingen als: ‘Het is niet per sé zo dat als je wat dunner bent, dat je dan ook gelukkiger bent.’ Een waar woord. Het ‘als-dan principe’ gaat vaak helemaal niet op. Als ik dit of dat heb/ben, dan ben ik pas echt gelukkig.

Er zijn van die mensen die naar het buitenland vluchten omdat ze denken dat daar het geluk ligt, of nog erger, omdat ze zichzelf willen vinden. Je hoeft jezelf niet te vinden en je hoeft ook niet voor jezelf op de vlucht te gaan, want je neemt jezelf altijd overal mee naar toe, of je nu wil of niet. Verandering van omgeving helpt daar niet tegen, althans zeker niet op de lange duur.

Toen ik nog een klein meisje was, was er geen geld om naar het buitenland op vakantie te gaan. Op die manier kreeg ‘het buitenland’ an sich mythische vormen in mijn hoofd. Alsof je je ook anders zou voelen als je in een ander land was. Ik heb een broer die waarschijnlijk ook nog wel wat duiten in het zakje deed, als het gaat om het scheppen van verwachtingen. Dat deed hij bijvoorbeeld ook met computerspelletjes. Was ik er net niet bij toen Donkey Kong werd uitgespeeld (bij onze neef, want zelf hadden we natuurlijk geen spelcomputer) dan vertelde hij dat het eindfilmpje buitengewoon leuk was. Echt spijtig dat ik het gemist had en ik had wat gemist! Sindsdien ben ik altijd blijven geloven dat het einde van een computerspelletje een super tevreden gevoel zou moeten geven. Ook dat bleek niet het geval te zijn (op 1 keer na dan, serieus waar).

We groeien op met sprookjes en Amerikaanse pulp waarbij het idee van ‘ze leefden nog lang en gelukkig’ nog verder wordt gecultiveerd. Alsof Sneeuwwitje niet acuut stopte met appels eten zodra ze in haar paleis zat met d’r prins. Hup, aan de chips, zo ging het en dan nog maar eens kijken wat het spiegeltje aan de wand te vertellen had.

Maar we zullen altijd wel op zoek blijven gaan naar een stukje verlossing en het ‘als-dan principe’ en dat is prima. Zo blijven we in beweging, want met alleen maar tevreden zijn, daar blijf je niet tevreden mee. En met ontevreden zijn al helemaal niet.

Och, ik heb nog wel wat goede voornemens op mijn lijstje staan, dit jaar moeten een hoop dingen echt anders! Eerst eens kijken waar die chocoladereep ligt die nog op moet, die kan maar weg zijn. Er staan nog wel wat visites en bezoekjes op de planning, dus de hele maand geen alcohol zal wel niet doorgaan. Maar het voornaamste dit jaar en dat hoop ik toch wel te bereiken is dat het gaat om ‘doen’ in plaats van ‘denken.’

Dat het maar een vruchtbaar jaar mag worden en veel plannen uitgevoerd zullen worden! En hopen op een supertevreden gevoel achteraf. Je zult het nooit weten als je het niet probeert en er voor gaat, hadseklats!

Thuis

‘Als je eenmaal de keuze hebt gemaakt om in het buitenland te gaan wonen, zal je je overal snel thuis voelen en tegelijkertijd weet je niet meer waar je echte thuis is’, het is een zelfbedachte uitspraak die ik mezelf regelmatig heb horen zeggen. Ik begin er echter sterk aan te twijfelen of deze opvatting wel juist is.

In 10 jaar tijd hebben we op 8 verschillende plekken gewoond. In Buenos Aires hebben we vier en half jaar van ons leven mogen spenderen. Dat voelde op een gegeven moment wel als een soort van thuis. We kregen er de tijd om te wonen, te werken en om vrienden te maken. Voornamelijk Vlaamse of Nederlandse vrienden. Je zoekt elkaar toch op. Het is altijd grappig hoe men in Nederland er de mond vol van heeft dat mensen van buitenaf zo snel mogelijk moeten integreren, alsof het zo simpel is. ‘Kom op, even lekker integreren, niemand zit op je te wachten, maar gewoon vlug vlug de taal leren, een beetje meedoen, op een ‘normale’ manier dat wel, eet een boterham met kaas, glas melk erbij en je bent er.’ Ik zeg niet dat ik niet voor integratie ben, alleen zou het wel leuk zijn als mensen zich een klein beetje realiseren hoe lastig dat is. Mijn hemel, het is soms al moeilijk als je met een nieuwe baan begint, laat staan als je in een heel ander land gaat wonen. Wij hadden nog het voordeel dat we bijvoorbeeld collega’s hadden van Remko die in hetzelfde schuitje zaten. Dat schept gelijk een band. Je wordt vrienden met mensen die je in je eigen buurt misschien niet zo snel had uitgekozen. Het verruimt je blik en dat is altijd goed. De Argentijnen zaten ook niet per definitie om ons te springen en dat is heel logisch. De meeste mensen maken hun vrienden op school. De lagere school, de middelbare school, wellicht nog bij de vervolgopleiding. Misschien wat buurtvriendjes, her en der een collega, maar op een gegeven moment is het wel klaar met vrienden maken. Je hebt er genoeg en daar hoeven niet twee gekkies bij die de taal slecht spreken. Het is trouwens heel moeilijk om je persoonlijkheid te laten zien in een taal die je niet volledig machtig bent, daar gaan wel wat jaren overheen.

Konden we eindelijk wat grappen maken in het Spaans, verhuisden we naar Brazilië, begon het feest opnieuw. We woonden vaak ook nog eens in chique buurten, wat het geheel er niet makkelijker op maakte. Ik kon me niet indenken dat ik vriendinnen zou kunnen worden met opgedirkte strak in het vel zittende modepoppetjes. Daar ging mijn verruimde blik.

Vele omzwervingen later kwamen we in Zaltbommel terecht. Weer opnieuw beginnen op een plek waar je nagenoeg niemand kent. Een klein voordeel was er wel. Twee gekkies in een gekke toren. Die toren heeft mij zeker geholpen met het maken van nieuwe contacten. Ik durf zelfs te zeggen dat ie meegeholpen heeft met het krijgen van een baan. Ik had een sollicitatiebrief geschreven, maar hoorde niets terug. Mijn schoonzus riep: ‘Ik weet dat je het vervelend vindt, maar je moet bellen, altijd bellen.’ En zo gebeurde het, ik belde en vertelde uiteraard over de toren. Zeker weten doe ik het niet, maar ik vermoed dat het nieuwsgierig maakte. En zie daar, een baan met inmiddels sinds kort ook nog eens een vast contract, ja, ja, zo kan het gaan.

Mijn schoonouders kwamen een tijdje terug op bezoek en liepen met koffers en al vanaf het station naar ons toe. Er stopte een auto. De bestuurster vroeg: ‘Waar moet u naar toe, ik kan u wel even brengen?’ Het hoefde niet zo nodig van mijn schoonouwe lui, maar ze vertelde toch maar dat ze naar de oude watertoren moesten. ‘Oh naar Erika, stap maar in, ik rijd jullie wel even!’

Ik word daar zo blij van, van dat soort verhalen. De chauffeuse was een bestuurslid van Kunstmin, waar ik ook lid van ben. Wij organiseren de atelierroute Kunst, Kiezel en Klei. Zo’n clubje en zo’n evenement helpen fijn mee met weer een beetje meer thuisgevoel.

Terug van een vakantie in de zon, fiets ik wat melancholisch het centrum in. Toch weer even wennen aan de winterkou, de druilerigheid en het gewone leven. Al snel zie ik vriendin nummer één, ‘Zullen we een bakkie doen?’ vraagt ze. ‘Ja graag’ en we wandelen richting ‘In De Roos.’ Onderwijl komen we bevriend kunstenaar uit Rossum tegen die me in de rondte zwiert en roept dat de toren me zo gemist heeft. Na de koffie doe ik nog snel een boodschap en zie weer een bekende in een winkel staan. ‘Er was voor je gebeld, iemand wilde je nummer, iemand van de krant.’

Ik ben thuis, het mag in de krant.

Inbraak

Als je midden in de stad opgroeit boven een schoenenzaak, tussen een Hema en een juwelier in, is de kans behoorlijk groot dat je regelmatig met inbraak te maken krijgt. Je groeit er mee op als het ware. De heftigste inbraak ooit was toen ik een jaar of acht was. Mijn grote zus sliep in het het achterhuis en had lichten van zaklampen op het platte dak gezien. Ze spoedde zich zo snel als ze kon naar het andere deel van het huis om mijn ouders te waarschuwen. De politie werd gebeld en jongste broer en ik werden uit bed gehaald. De deur tussen het voor en achterhuis werd afgesloten. Het was afwachten. Op zeker moment werd er op de tussendeur geklopt, mijn vader riep verschrikt: ‘Daar zijn ze!’, doelend op de inbrekers (alsof die netjes aan zouden kloppen) en ik dook onder een stoel. Het bleek mijn oudste broer te zijn die we vergeten waren uit bed te halen… Even later arriveerde de politie, waaronder een hele lange kordate agente, die op ons binnenplaatsje de inbrekers gebood van het dak af te komen. De onverlaten werden opgepakt. Hun tassen lagen op het binnenplaatsje en ik weet nog dat ik me verbaasde dat ze zelf gesmeerde boterhammen mee hadden genomen. Ik mocht gaan kijken naar de heren, maar durfde niet. Misschien dat ze wel netjes hun bammetjes meenamen in boterhamzakjes, maar ze zouden er ongetwijfeld uitzien als hele enge boeven. Ze hadden me net de schrik van mijn leven bezorgd en uit angst had ik een knoopje van mijn pyjama doorgebeten. Ze hoefden van mij niet op mijn netvlies, dank je de koekoek.

De jaren gingen voorbij en zeker mijn moeder heeft er voor gezorgd dat er menig geveltoerist bij de kraag werd gevat. Soms hing ze uit het raam om de agenten de weg te wijzen en als ze de politie belde, vereiste het bij tijd en wijle wat doorzettingsvermogen om het blauw van de straat op de juiste plek te krijgen. Ik kon alles meeluisteren vanuit mijn bedje en het was er op wachten dat mijn moeder bij de derde keer uitleggen waar ze zijn moesten, tegen de dienstdoende diender riep: ‘Joh lul!’ als ie het dan nog niet had gesnapt. Het moet gezegd, wij zijn niet opgevoed met een rotsvast vertrouwen in het politieapparaat.

Met het ouder worden en verhuizen, kwam en ging de angst voor inbrekers. Het lag er maar aan waar we woonden. In het buitenland woonden we vaak in appartementen met een bewaker beneden. Dus waande je je veilig. Dat dan achteraf bleek dat de bewaker zelf als je niet thuis was met een loper je huis binnenkwam en geld jatte uit je nachtkastje, daar hebben we het verder niet over. Hij zal het wel nodig hebben gehad.
Terug in Nederland in het familiehuis op het platteland van Overloon kon ik de slaap nooit vatten als ik alleen was op de begane grond. Het idee dat niemand je zou kunnen horen als er wat zou gebeuren hielp niet mee. Maar het lag grotendeels aan de begane grond, begane grond is bij mij synoniem aan ‘onveilig’. Totdat er brand uitbreekt natuurlijk, maar ook dat is een te vermijden onderwerp.

Boven in de toren voel ik me senang wat het inbrekers betreft. Er kan in ieder geval al niemand binnenkomen door het raam of via het dak. Verder moet je wel echt een rare kronkel hebben wil je bij ons boven iets gaan stelen. Dat er genoeg mensen rond lopen met een steekje los, vergeten we voor de gemoedsrust maar even.

Edoch is gebleken dat de tuin een makkelijk doelwit is in de ogen van kwaadwillende mensen. Één keer heb ik wat schorriemorrie kunnen betrappen op klaarlichte dag en bleek maar weer hoeveel ik op mijn moeder lijk. Ik word niet zo snel kwaad, maar als ik het ben is het verre van grappig. En het gebeurt gegarandeerd als je iets van mij afpakt of tegen me liegt en als beiden dingen voorbijkomen, dan worden de rapen heel snel gaar. De politie achteraf nog gebeld, maar het algemene nummer duurde me te lang, mèh.

Laatst was het weer raak, maar nu had ik het niet door. Dat de insluipers niet echt intelligent waren bleek wel aan de knullige manier waarop ze de tuin in en uit waren gekomen. Het leek alsof ze her en der ook nog gestruikeld waren, ik hoop het maar. Een koperen dakje, nog van de van de vorige bewoners was het doelwit. Toch maar aangifte gaan doen. Op het fietsje naar de politie. De dame achter het loket vraagt of ik het niet eerst online heb geprobeerd. ‘Jawel, maar dat kan niet als de inbrekers wat hebben achtergelaten en dat hebben ze, namelijk een zaag.’ Ze is niet op de hoogte van deze regel, jammer, ze moet aan het werk. De computer is traag en de agente is kippig, dat zijn haar woorden, niet de mijne. Het kost allereerst al heel veel tijd om te bedenken hoe we het object gaan noemen. Vervolgens moet ik mijn telefoonnummer opgeven. Ik zeg erbij dat ik de volgende dag op vakantie ga. ‘Oh’, zegt ze, ‘heb maar niet de illusie dat we je gaan bellen dat we de daders gevonden hebben.’ ‘Ach vrouwke,’denk ik bij mezelf, ‘je moest eens weten, die illusie was echt in geen velden of wegen te bekennen, maar eerlijk dat je er zelf al mee komt.’

 

Oordeel

Mijn schoonzusje had kaartjes gekocht om een opname van ‘De Wereld draait door’ bij te wonen. Ze dacht me daar een plezier mee te doen, omdat het programma voor mij een soort lifeline was in het buitenland. Ik keek geen nieuws, maar was, als we op verlof kwamen naar Nederland, buitengewoon op de hoogte van hoe het allemaal gereild en gezeild had in de lage landen en omstreken, door mijn toentertijd favoriete programma.

Nu wil ik niet graag met mijn kop op tv, door een best ernstige vorm van ‘De -Tv- draait- door- angst’, dus ik stond wat ambivalent tegenover de uitnodiging om mee te gaan. Zal je net zien dat ik in slaap tuimel, per ongeluk schreeuw omdat ik daar ineens zin in heb of iets anders uitzinnigs doe. En dat dat dan breed uitgemeten wordt en iedereen keihard moet lachen als ze me zien en zeggen: ‘Hé, was jij niet bij de Tv draait door toen je bij de Wereld draait door was en je ineens je shirt over je hoofd deed? Hahahaha hilarisch!’ Echter oh wonder, mochten we op het balkon zitten, ik wist niet eens dat er een balkon was. De tafelheer was Fresku, een Eindhovense rapper die ik zeer kan waarderen, dus dat was mooi. Dan waren er nog wat figuren waar ik ook wel een oordeel over had, hetzij positief, hetzij negatief. Maar daarboven op het balkon, kijkend naar die mensjes die daar in een aanmerkelijk kleinere studio dan je gedacht had, hun ding aan het doen waren, dwaalden mijn hersenen af naar vroeger. Vroeger, toen ik nog elke zondag twee keer naar de kerk ging. Mijn vader was organist, dus soms mocht ik dan boven zitten bij het orgel. Dat was dan een geluk bij een ongeluk. Lekker de hele dienst kijken naar de hoofden van mensen, ik vond dat wel prettig. Als we thuiskwamen en er koffie en gebak was, liet papa weten wie er allemaal wel en niet de kerk hadden bezocht. En vooral wie er niet waren was belangrijk, zeker als ze er de vorige week ook niet waren geweest. Daar werd wel wat van gevonden. En zo was de zondag.

Op doordeweekse dagen en vooral de donderdagavond en af en toe de zaterdag bekeken we de boel bij ons thuis ook graag van boven. We woonden boven een winkel in dé winkelstraat van Leiden. Het waren tijden zonder koopzondagen en internet bestond nog niet. Dus er kwam nogal wat voorbij aan volk. Jongste broer wilde nog weleens stemmetjes doen, voor aangewezen figuren in het winkelend publiek. Een soort ´animal crackers´ maar dan voor mensen. Het was fantastisch vermaak. En in de zomer klommen we het Hema-dak naast ons op, om waterballonnen naar beneden te gooien. Zonder onderscheid des persoons overigens!

Terug naar de studio. Van bovenaf zijn al die bekende mannetjes aan tafel ook maar gewone mensen. Kijk Giel Beelen zenuwachtig doen met z´n voetje onder de tafel, je zou h´m bijna een bemoedigend schouderklopje geven. En dan Frenk van der Linden die bijna moet huilen, ach knul toch, het komt allemaal wel goed. En Fresku en Matthijs allemaal toegankelijke gasten. Van bovenaf kijken maakt juist milder. Het geeft een ‘we zijn allemaal oké en gelijk gevoel’.

Wat oordelen we toch veel, de hele dag door. ‘Mooi, knap, lelijk, dom, dun, dik, slim, sloeber, rijke stinkerd, wit, zwart, import, rasechte Bommelaardse zeikerd.’ Menneke, menneke, we kunnen er wat van. Ik snap nu wel waarom ik graag zo hoog woon. Het geeft een overzichtelijk gevoel en wat al die floeperds beneden doen en vinden, dat doet er niet zo toe. Niet oordelen, maar verwonderen. En me verwonderen, dat doe ik graag.

Leuk

Leuke dingen doen, we grossieren erin in Nederland. Om nog naar maar eens even ons Zuid-Amerikaanse avontuur aan te zwengelen: daar ging dat heel anders. In Argentinië kwam men in het weekend samen met familie om een enorme berg vlees naar binnen te werken en in Brazilië ging men met de hele bups en een koelbox vol met bier naar het strand, zitten en niks doen. Als je iets anders wilde doen, moest je zo’n eind rijden dat de lust je al bij voorbaat verging. Even gechargeerd natuurlijk en schromelijk gegeneraliseerd.

In Nederland doet men leuke dingen. De festivals poppen als paddenstoelen uit de grond, musea te over, verenigingen die dingen organiseren, je kan het zo gek niet bedenken, als je ergens interesse in hebt, kan je die interesse ergens voeden. En dat alles op een afstand die makkelijk te doen is, vaak gewoon een paar kilometer verderop. De enige obstakels zijn soms dat je niet kan, omdat je uitgenodigd ben op een ‘zitten in een kring verjaardag’ , je je kinderen zo nodig moet brengen of halen naar de sportvereniging of je moet klussen aan je huis. Wat een luxe leven eigenlijk.

Het torenmannetje en ik zitten met enige regelmaat te bomen over wat er allemaal mogelijk is bij onze watertoren. Een theetuin is een veel gehoorde optie en ook al wel gedaan door onze voorgangers. De tafeltjes en stoeltjes heb ik al en het is een ideale plek. Er komen dan wel wat vragen naar boven als: ‘Moet je dan elke zondag open of begin je gewoon wanneer je zin hebt?’ Heel in het begin zei een voorbijgangster en inmiddels goeie kennis: ‘ Houd er wel rekening mee, het is hier geen Zuid-Frankrijk’. Daar was geen woord van gelogen. Als het dan wel een keertje warm en zonnig weer is, dan is het vaak muisstil op de Stadsdijk en zit iedereen met z’n gat bij een zwemplas of in zijn eigen opblaasbadje. Of toch op een ‘zitten in een kringverjaardag’ waar je onmogelijk onderuit kwam.
En als wij dan zelf geen sociale verplichtingen hebben en echt een dagje vrij, meine gute blijf dan alstublieft weg uit ons paradijs, ik wil er zelf nog zo graag van genieten. ‘Mijn, mijn, mijn! ‘ klinkt het dan in mijn hoofd. ‘k wil het best delen met familie en vrienden, graag zelfs, maar niet met volslagen vreemden, nog niet.

Maar wat als we daar wel klaar voor zijn. We zijn een culturele bestemming. Wat verstaat men daar precies onder eigenlijk? Remko deed er onderzoek naar en stuitte op een interessant artikel. Onder de bestemming cultuur en ontspanning vallen de volgende gebruiksdoelen:

atelier
attractiepark
bioscoop
bordeel
bowlingbaan
casino
creativiteitscentrum
dansschool
dierentuin
evenemententerrein
kinderboerderij
museum
muziekschool
muziektheater
raamprostitutie
sauna
speeltuin
theater
welness

Heel divers in ieder geval, ik kan niet anders zeggen. Een aantal dingen kunnen we gelijk doorstrepen, terwijl de locatie er zich misschien wel prima voor leent. Maar die zaken vallen waarschijnlijk meer onder de noemer ‘ontspanning’ dan cultuur. Al zijn de meningen daar wellicht over verdeelt. Wat alle gebruiksdoelen gemeen hebben is dat ze tot de verbeelding spreken. Bij de regelmatige kampvuren die we maken in de tuin schieten de ideeën alle kanten op:

‘Met een kabelbaantje naar beneden (gelijk een nooduitgang) om terecht te komen in een klein kinderboerderijtje op het stukje dijk grenzend aan ons ‘landgoedje’. Met waterfietsen in de vorm van zwanen en voor mijn part in de vorm van aalscholvers ( is weer eens wat anders) over het water van de uitwaarden peddelen. Och Remko, moeten wij geen Yurt?’
‘ Mèh, een Yurt, da’s toch meer voor mensen die in hun bijzondere trui, kerstfeest willen vieren.’
‘Daar heb je een punt ja, maar als we dan een marktkraampje erbij hebben, waar we bijzondere truien verkopen?’ ‘ Eigenlijk zijn Yurts niet mooi.’ ‘ Van binnen wel, maar van buiten niet nee, ook dat klopt.’

Hutten, tenten, huizen…in mijn koppie heeft er al vanalles gestaan. Misschien wil ik wel helemaal geen leuke dingen doen. Ik wil geloof ik gewoon een atelier. En heel af en toe evenemententerrein zijn, met soms een toneelvoorstelling, muziektheater of buitenbioscoop. Gewoon voor af en toe. Geen welness, maar wel een hottub, voor eigen gebruik. En een koelbox vol met bier en niks doen.